Recht tussentijdse rente-aanpassing voor bank? Denk aan de zorgplicht!

(Rb Zeeland-West Brabant, 14 maart 2018 ECLI:NL:RBZWB:2018:1603)


Inleiding

De rente in een kredietovereenkomst is vaak opgebouwd uit meerdere elementen. Zo bestaat een variabele rente vaak uit EURIBOR en een opslag. Deze opslag kan een gefixeerd percentage zijn of een percentage dat is gekoppeld aan de omvang van het vreemd vermogen van de kredietnemer, bijvoorbeeld via een koppeling met de leverage ratio. Hoe meer vreemd vermogen, hoe hoger de opslag. De opslag is meestal vooraf overeengekomen en geldt dan voor de gehele looptijd van de kredietovereenkomst.

Een bank bedingt bij financieringen voor het midden-en kleinbedrijf vaak het recht om de opslag tussentijds te wijzigen. De Rabobank heeft dit bijvoorbeeld opgenomen in artikel 25 van de algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen (2010). Dit artikel bepaalt, kortweg, dat de Rabobank het EURIBOR deel van de rente verhoogt met een ‘door de bank te bepalen opslag’. De bepaling stelt verder dat de bank de opslag altijd kan wijzigen. De opslag zal alleen niet gewijzigd worden vanwege voor de bank geldende omstandigheden op de geld- en kapitaalmarkt. Met andere woorden, de reden voor verhoging van een opslag zal gelegen moeten zijn bij de kredietnemer. Een hoger kredietrisico rechtvaardigt dus een hogere opslag, aldus de bank. Dit geldt ook als het kredietrisico toeneemt tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst

Rabobank is overigens niet de enige bank die een eenzijdig recht bedingt om de opslag te wijzigen. De bovengenoemde bepaling van de Rabobank is echter wel de inzet in een gerechtelijke procedure geweest waarin de Rechtbank Zeeland-West Brabant (de ‘rechtbank’) op 14 maart 2018 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:RBZWB:2018:1603).


Contractuele vrijheid versus zorgplicht

De rechtbank deed uitspraak in een geschil tussen Rabobank en een kredietnemer waarbij Rabobank op grond van bovengenoemde bepaling de renteopslag van twee faciliteiten had verhoogd van, respectievelijk, 1,4% en 1,9% naar 2,2% en vervolgens naar 2,4%. Rabobank onderbouwde deze verhoging met het argument dat de zogenaamde Loan to Value (LTV) van 103% naar de mening van Rabobank te hoog is en versnelde aflossing cq afbouw van het obligo in de nabije toekomst noodzakelijk is hetgeen de kredietnemer niet bereid is te doen.

De kredietnemer verzet zicht tegen deze verhoging en beroept zich, onder andere, op schending van de zorgplicht. De kredietnemer beroept zich daarbij op de zorgplicht van de bank die is opgenomen in artikel 2 van de algemene bankvoorwaarden. Overigens is de zorgplicht van banken niet uitsluitend gebaseerd op dit artikel. Deze bepaling is codificatie van de privaatrechtelijke zorgplicht die vanaf 1997 in de jurisprudentie is ontwikkeld (voor het eerst in het arrest Rabobank Everaars van 23 mei 1997, NJ 1998/192). Daarnaast is er ook het publiekrechtelijke begrip zorgplicht zoals vastgelegd in artikel 4:24a van de Wet op het financieel toezicht)

De rechtbank concludeerde dat gebruikmaking van de bevoegdheid de renteopslag te verhogen financiële gevolgen heeft voor de kredietnemer. De bank dient bij de uitoefening van haar bevoegdheid de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en naar beste vermogen rekening te houden met de belangen van de cliënt. Dit beginsel brengt me zich mee dat de bank voorafgaand aan het verhogen ten minste informatie inwint over de financiële toestand van de cliënt en/of zijn onderneming. In de onderhavige casus betekent dat bijvoorbeeld dat Rabobank recente taxatierapporten van onderliggende vastgoed had kunnen opvragen. Verder dient Rabobank informatie in te winnen over eventuele bijzonderheden met betrekking tot persoonlijke omstandigheden van de kredietnemer. De bank dient daarnaast ook gegevens die uit regelgeving voor de banken of uit bancair beleid voortvloeien te verzamelen, nu bij de beoordeling van het opslagpercentage niet alleen de belangen van de cliënt, maar ook de belangen van de bank een rol mogen spelen. Dit is inherent aan het type financiering dat de kredietnemer met de bank is overeengekomen: flexibele rente en flexibele opslag. Vervolgens dient de bank op basis van al deze informatie te beoordelen welk opslagpercentage voor de desbetreffende cliënt aan de orde is. De uitkomst dient zij, voorzien van een inzichtelijke motivering, bij voorkeur met de cliënt te bespreken en anders schriftelijk aan de cliënt kenbaar te maken.

De Rabobank heeft aangevoerd dat de wijziging van de opslag gerechtvaardigd wordt omdat de loan-to-value verhouding te risicovol is, hetgeen tussentijdse aflossing noodzakelijk maakt en de kredietnemer daartoe niet bereid was. Ook speelt een wijziging van beleid ten aanzien van financieringen van vastgoed een rol, aldus de Rabobank. De rechtbank verwierp deze bezwaren omdat Rabobank bij haar belangenafweging recente informatie (ic uit 2016) van de kredietnemer had dienen te betrekken en niet kon volstaan met informatie uit 2013 en 2014.


Conclusie

Het contractuele recht van een bank om naar eigen inzicht de renteopslag te verhogen geeft de bank een zeer ruime bevoegdheid dat bovendien financiële gevolgen heeft voor een kredietnemer. De zorgplicht van de bank begrenst deze bevoegdheid. De reikwijdte van de zorgplicht is in de recente uitspraak van de rechtbank verder afgebakend: de bank dient eerst financiële informatie in te winnen (lees: informatie na verhoging verzamelen is onvoldoende) en zich te verdiepen in de persoonlijke omstandigheden van de kredietnemer. Informatie pas na de verhoging inwinnen is dus onvoldoende. De beslissing dient voorts ook op recente informatie te zijn gebaseerd (i.c. waren de gegevens van 2 jaar oud ontoereikend). De bank dient verder ook gegevens uit regelgeving voor de banken of uit bancair beleid te verzamelen, en vervolgens de uitkomst voorzien van een inzichtelijke motivering aan cliënt kenbaar te maken. De conclusie dient bovendien te zijn gebaseerd op recente informatie.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Roger van Buuren van Bond Advocaten, telefoon: 020 7070555, roger.vanbuuren@bondadvocaten.nl.